Interviews

Smart Cycling Futures gaat over de vraag hoe fietsinnovaties kunnen bijdragen aan een duurzame en gezonde stad. Hoe kijken bij SCF betrokken fietsinnovatoren zelf aan tegen de innovatie waar ze onderdeel van uitmaken? Wat kan SCF van hen leren? Welke kennis ontbreekt en wat is de rol van SCF hierbij, in hun ogen? Een serie gesprekken van Hugo van der Steenhoven met fietsinnovatoren, opgetekend door Ymkje de Boer.

 

Innovatie: doorzetten, doen en leren – in gesprek met Janine Hogendoorn, Ring-Ring

September 2018

In deze eerste aflevering spreken we met Janine Hogendoorn van het succesvolle concept Ring-Ring. Ring-Ring is een dienst – toegankelijk gemaakt via een app – die het gebruik van de fiets stimuleert door aan fietskilometers voordelen te koppelen voor de fietser. Vier partijen werken hiervoor samen: ondernemers, werkgevers, steden en (zorg)verzekeraars.

Bij Ring-Ring profiteert iedereen. Fietsers doordat ze bewegen in de buitenlucht, gezond blijven en korting krijgen bij bijvoorbeeld winkels in hun buurt. Steden doordat het fietsverkeer zorgt voor schone lucht, een betere toegankelijkheid van de stad, een bloeiende lokale economie en een goede publieke ruimte; ondernemers doordat ze meer business krijgen. De fietskilometers worden bijgehouden en zo ontstaat er bovendien een bron van open data die voor onderzoek en beleid kan worden gebruikt. Dus Ring-Ring – een sociale onderneming – zorgt ook nog eens voor kennisontwikkeling en kennisdeling.

Fietskilometers als valuta
Janine Hogendoorn kreeg het idee voor het concept rond 2012 en werkte het verder uit na een uitwisseling met Wim Bot van de Fietsersbond via Twitter. ‘Niet dat ik mij daarmee nu zozeer een fietsinnovator voel,’ zegt ze tegen Hugo van der Steenhoven op het terras van Dauphine, vlakbij het Amsterdamse Amstelstation. ‘Het Ring-Ring-concept bestrijkt verschillende domeinen tegelijk, waarbij bijvoorbeeld gezondheid belangrijk is, maar ook de financiële en economische wereld. In feite maak ik van fietskilometers op deze manier een nieuw soort valuta. We koppelen een quasi-financiële waardering aan het fietsen, een alternatieve currency.’

Teveel lippendienst, te weinig actie
Hoeveel moeite kostte het om zo’n grensoverschrijdend concept te ontwikkelen en geïmplementeerd te krijgen? ‘Waar ik al vrij snel tegenaan liep, zijn de gevestigde belangen van de betrokken partijen – en dat terwijl ik niet minder dan een systeemverandering uit ben met mijn concept,’ aldus Hogendoorn. ‘Je moet flink wat geduld hebben om zo’n concept verder door te ontwikkelen en te laten landen. Ik vind het dan ook wel eens jammer hoe bijvoorbeeld de overheid omgaat met innovaties zoals de mijne. Er wordt elk jaar wel weer een serie prijzen uitgereikt door allerlei overheidsorganisaties om weer een andere nieuwe hippe apps of innovatieve concept voor het voetlicht te halen. Dat is heel leuk voor dat moment, maar waar wij als innovatoren veel meer behoefte aan hebben, is daadwerkelijke, langdurige ondersteuning door overheden – en niet dat je na die prijsuitreiking weer meteen uit beeld verdwijnt. De overheid kan launching customer zijn en zo een innovatie verder helpen in de markt, maar doet dat eigenlijk zelden. Dat is een gemiste kans. We zijn misschien wat verwend geraakt doordat we zoveel snelle hippe start-ups in onze omgeving zien. Daardoor ontstaat het beeld dat iets dat langzaam gaat kennelijk niet goed of effectief kan zijn. Ook zie ik dat mensen – zoals die eerder genoemde overheden – innovaties vooral met woorden ondersteunen en maar weinig met daden. Zo schiet het natuurlijk nooit op!’

Toegevoegde waarde bewijzen
Van der Steenhoven: ‘Toch vreemd dat zelfs zo’n evident slim concept als Ring-Ring niet meteen een enorme navolging krijgt. Je zou toch gek zijn als je daar als ondernemer of overheid niet aan mee doet?’ Hogendoorn: ‘Ja, maar partijen zien altijd in eerste instantie vooral veel beren op de weg in plaats van mogelijkheden. En je hebt ook te maken met de traditionele innovatieparadox: toen de innovatie nog niet bestond, miste niemand hem. Als hij er eenmaal is, moet je dus eerst bewijzen dat de innovatie echt toegevoegde waarde heeft. Daarin speelt de wetenschap en de gezamenlijke ontwikkeling van kennis wel een belangrijke rol. Ik beschouw het ook echt als een belangrijke mijlpaal dat Smart Cycling Futures er nu is, al heb ik er zelf bedrijfsmatig nou niet direct al iets aan gehad. Maar het is wel goed dat SCF innovatoren en onderzoekers bij elkaar brengt. Ik realiseer me heel goed dat kennisontwikkeling langzaam gaat en dat ik als systeemveranderaar een lange adem moet hebben. En dan moet ik maar op de koop toenemen dat mensen soms met het verkeerde motief willen aanhaken – bijvoorbeeld om alleen maar meer geld te kunnen verdienen. Een ander probleem is dat ik vaak alleen als inspirator word gezien en dat partijen niet echt zaken willen doen.’

Liever energie dan tijd
Van der Steenhoven constateert wel wat kleine veranderingen in het overheidsbeleid. ‘Ik merk dat een ministerie van IenW wel een beetje klaar is met kortlopende projecten en experimenten. Men wil nu toch wel echt de stap maken naar een meer robuuste veranderingen in de mobiliteit. Toch verlangen beleidsmakers nog steeds snel resultaat, terwijl echte veranderingen nu eenmaal tijd kosten. We merken ook binnen SCF dat overheidspartijen over het algemeen weinig tijd overhebben voor gezamenlijk leren en ontwikkelen.’ Hogendoorn: ‘Terwijl het soms niet eens en kwestie van tijd is, maar vooral van energie.’ Van der Steenhoven: ‘Inderdaad kunnen gemotiveerde medewerkers bij het rijk en andere overheden meer voor elkaar krijgen dan mooie beleidsnota’s. Belangrijk is vooral dat er bij alle relevante beleidsonderwerpen, afdelingen en sectoren aandacht is voor fietsen en niet alleen bij de specifieke verkeers- of fietsambtenaren.’

De sociaal-economische kant meer belichten
SCF richt zich in de verschillende onderzoeksprojecten vooral op technische en infrastructurele innovaties. Van der Steenhoven: ‘Maar jouw innovatie is eigenlijk meer sociaal-economisch en minstens zo interessant.’ Hogendoorn: ‘Dat klopt. Ook het open data-aspect is bijvoorbeeld belangrijk. Ik wil niet dat we voor data afhankelijk worden van een paar grote Amerikaanse bedrijven. In Nederland, waar de verschillen tussen rijk en arm en hoog- en laagopgeleid niet zo heel erg groot zijn, moet het toch mogelijk zijn om initiatieven van de grond te krijgen die voor iedereen voordelen hebben. Juist ook voor mensen met een kleine portemonnee en voor bijvoorbeeld mensen met een andere afkomst.’ Van der Steenhoven: ‘Ja, en die fietsen juist het minst! De auto is in sommige delen van de samenleving nog steeds een statussymbool.’ Hogendoorn: ‘Ring-Ring is een concept dat op wijkniveau werkt. Iedereen kan eraan meedoen en je stimuleert de lokale winkeliers er bijvoorbeeld mee. Tja, dat is wel even een totaal andere invulling van dat hippe begrip ‘smart city’. Dat is door de technologie gekaapt.’ Van der Steenhoven: ‘We zouden inderdaad – ook als wetenschap – veel meer naar de sociale en economische kant van fietsinnovaties moeten kijken. Essentieel is een gezamenlijke aanpak, dwars door alle sectoren heen. We moeten af van het hokjesdenken, waarin gezondheid alleen bij de GGD hoort en het hebben van geen geld voor vervoer alleen bij het armoedebeleid en fietsen alleen bij de verkeersafdeling.’

Effecten van fietsen in beeld brengen
Een andere barrière voor het laten landen van innovaties is gebrek aan visie, stelt Hogendoorn. ‘We hebben niet echt een beeld van de stad van de toekomst. Maar projecten als SCF helpen wel om daar te komen. Het helpt in elk geval dat de wetenschap nu meer systematisch werkt aan het identificeren van de impact van fietsen. Zouden we kunnen ‘uitrekenen’ was er gebeurt als een hele stad meer op de fiets is georiënteerd, of misschien zelfs wel half Nederland? Welke grote mechanismen spelen dan een rol? Hoeveel geld houden mensen over als ze alles op de fiets gaan doen? Wat betekent dat voor de lokale economie? Wat ook zou helpen is meer inzicht in het krachtenveld van rijk, gemeenten en andere partijen die je nodig hebt voor fietsinnovaties.‘ Van der Steenhoven:’En wat betekent fietsinnovatie voor de ruimtelijke inrichting van steden? Op dit moment worden de afstanden voor mensen alleen maar groter door al die fusies van ziekenhuizen en scholen.’ Hogendoorn: ‘Nabijheid is belangrijk; mensen willen niets liever dan gewoon een goede winkel op de hoek van de straat.’
Hogendoorn zou willen dat er meer geëxperimenteerd wordt met concepten zoals Ring-Ring en dat de wetenschap dan onderzoekt wat de effecten zijn, bijvoorbeeld op het niveau van een wijk. ‘Maar ik snap tegelijkertijd dat dit type onderzoek misschien lastig in te passen is in de eisen die bijvoorbeeld NWO stelt.’ Van der Steenhoven: ‘We merken inderdaad dat het in de praktijk lastig is om promotieonderzoek en het organiseren van pilots, experimenten en living labs lastig is, al lukt het bij het deelfietsenproject op dit moment heel aardig. Interessant zijn de snelle ontwikkelingen daar – nu weer met Swapfiets.’

Kennis delen en optellen
Hogendoorn: ‘Ook interessant om meer over te weten te komen, is wie de mensen zijn die Ring-Ring dragen en mogelijk maken. Het zijn volgens mij altijd verbinders met een goed netwerk die het leuk vinden om iets heel nieuws te doen. Je moet ook open staan voor iets dat groeit en omgaan met de onzekerheid dat je niet weet wat er precies uit zal komen. Ik merk dat iets nieuws al heel snel het stempel ‘niet geslaagd’ krijgt als de dingen anders lopen dan verwacht. Dat is jammer, want dat neemt de mogelijkheid weg om er echt van te leren.’ Van der Steenhoven: ‘Het zou een goed idee kunnen zijn om binnen SCF opnieuw innovatoren bij elkaar te brengen, zoals we in het begin deden, en te kijken waar iedereen nu staat en wat er gezamenlijk geleerd kan worden.’ Hogendoorn: ‘En maak als onderzoekers je kennis, observaties en reflecties toegankelijker. Publiceer daar regelmatig blogs over en publiceer je kennis ook op zoveel mogelijk verschillende plekken die voor verschillende groepen toegankelijk zijn. Laten we dat als innovatiewereld sowieso doen: kennis en informatie aan elkaar doorgeven, zonder al teveel direct te oordelen over elkaars benadering en aanpak.’