Fietsstimulering: niet alleen een kwestie van infrastructuur

Impressie Fietssymposium Regio Zwolle op 16 september 2021, Hogeschool Windesheim

Eindelijk weer fysiek op locatie samen. Weliswaar met het mondkapje in de aanslag (‘Lopen is op, stilstaan is af’), maar het lúkte weer: fysiek kennis met elkaar delen die in het project Smart Cycling Futures was opgedaan – en dan met name in de living labs in de regio Zwolle. Fietsstimulering was de grote rode draad. Nodig is samenwerking door alle sectoren heen en oog hebben voor de bestaande fietser. Die is essentieel in de overdracht van ‘fietscultuur’.

College van Bestuur-lid Inge Grimm opende samen met middagvoorzitter Marcus Popkema, associate lector Circulaire Economie, het symposium. Ze haalde kort herinneringen op aan hoe het was om van huis (‘in de rimboe’) naar school te fietsen. ‘Ik woonde het verste weg van iedereen, dus als het eerste uur uitviel, werd ik als eerste gebeld in onze ‘belketen’ van onze klas – anders was ik al vertrokken.’ Daarnaast wilde ze vooral het belang van het praktijkgerichte onderzoek dat een hogeschool als Windesheim doet benadrukken. ‘We doen nu al twintig jaar praktijkgericht onderzoek. De toepassing van onze kennis dringt gelukkig steeds meer door in de praktijk. Zo’n samenwerking van allerlei partijen als in Smart Cycling Futures is dan ook geweldig en levert veel op voor al deze partijen.’

Living labs als methode
Vervolgens vatte Friso de Vor, senior-onderzoeker Regionale Economie, de resultaten uit Smart Cycling Futures handzaam samen (PDF). ‘Waarom we dit project in 2016 begonnen zijn, is eenvoudig te verklaren. Fietsen is een simpele oplossing voor veel opgaven in de stedelijke omgeving. Maar er is nog relatief weinig kennis en beleid. Onze hoofdvraag was dan ook: op welke wijze kan het fietssysteem bijdragen aan vitale en veerkrachtige stedelijke regio’s en hoe kunnen succesvolle ontwikkelingen in die richting worden versneld? We hebben als Windesheim samen met de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Utrecht vier steden en andere praktijkpartijen bij elkaar gehaald en in een breed consortium onderzoek gedaan. Deels was dit theoretisch onderzoek. Maar er was vooral ook een grote rol weggelegd voor living labs. Deze onderscheiden zich van andere methoden doordat je oplossingen in de bestaande praktijk uitprobeert, samen met alle betrokken partijen. De doelgroep die de oplossing gaat gebruiken is zelf ook partij. Iedereen die betrokken is, heeft invloed op het proces en het resultaat ervan. Belangrijk daarbij is dat je het gezamenlijke leerproces goed organiseert.’

Vier lessen
De Vor noemde vier centrale lessen die Smart Cycling Futures als geheel heeft opgeleverd. De eerste is dat experimenteren te leren is. De Vor: ‘Als je met verschillende partijen samenwerkt, is het belangrijk om de uitdagingen waar je voor staat expliciet te maken en onderlinge verschillen te erkennen. Stel ook vooral het leren centraal. Wees bereid risico’s te nemen en accepteer dat het soms ook ‘mis’ kan gaan.’
De tweede les heeft met het fietsen zelf te maken: zien fietsen doet fietsen! De Vor: ‘Richt je met je beleid niet op mensen die je naar de fiets wilt lokken, maar kies juist de bestaande fietser als vertrekpunt. Ook is teveel beleid gefocust op de auto. Maar het zijn de huidige fietsers die de fietscultuur vormen. Zij zijn belangrijk in het overdragen van deze cultuur op anderen. Als je verder zorgt voor een infrastructuur die ‘menselijk’ van aard is, dan stimuleert dat het fietsen voor iedereen. De sociale omgeving speelt een belangrijke rol.’
Les drie: ‘Fietsers hebben hun eigen logica, hun eigen manier van omgaan met de omgeving. Vermijd daarom het gebruik van ‘autologica’ bij het creëren van ruimte voor de fiets. Beleving is misschien belangrijker dan efficiëntie en doorstroming.’
En les vier: fietsinnovaties zijn niet waardevrij. De Vor: ‘Het begrip ‘smart’ kan bijvoorbeeld veel verschillende dingen betekenen. Het is niet per definitie goed. Draagt een ‘slimme’ innovatie wel echt bij tot de gewenste toekomstige mobiliteit? Ik noem als voorbeeld de verrommeling die in de openbare ruimte ontstond toen de gemeente Amsterdam voor de eerste keer deelfietsen toeliet op straat. Kortom: kijk goed naar eventuele ongewenste neveneffecten van innovaties.’

Fietsmythes
Iemand uit de zaal vroeg zich of de kennis die nu is opgedaan misschien niet al eerder bekend was en al geïmplementeerd had kunnen worden. Marcus Popkema: ‘In elk geval is de kennis nu ‘officieel’, want echt wetenschappelijke onderbouwd.’ En dat is veel waard, erkenden deelnemers in de zaal – belangrijk voor de legitimering van beleid immers. Lucas Harms, directeur van de Dutch Cycling Embassy, reflecteerde vervolgens verder door op de lessen uit Smart Cycling Futures (PDF). ‘Wij zijn een publiek privaat netwerk en fungeren als intermediair tussen vragen uit het buitenland en de Nederlandse fietsexpertise. Er zijn meer dan tachtig organisaties bij ons netwerk aangesloten. We zijn als Nederland uniek en daar soms zelf een beetje blind voor. Onze modal split pakt voor de fiets het allerhoogst uit: 25% fietst, ook op het platteland! We proberen ook mythes uit de wereld te helpen. Als mensen roepen dat het alleen in Nederland kan, omdat het hier zo mooi plat is, dan wijzen we erop dat het in vele andere landen net zo plat is. En wat voor anderen de heuvels zijn, zijn voor ons de tegenwind en de regen.’
De realiteit is dat we er in de loop van de tijd in Nederland in geslaagd zijn om het verkeer te ‘kalmeren’ en de fiets meer ruimte te geven naast de auto, vertelde Harms. ‘Dat is overigens niet altijd zo geweest; in de jaren ‘60 en ‘70 vielen er veel verkeersdoden en werd er een strijd gevoerd voor meer veiligheid en minder congestie. Experimenteren zit ons wat dat betreft in ‘Nederland Fietsland’ wel in het bloed. In Den Haag, Tilburg en Delft lag het begin van wat nu in de CROW-richtlijnen staat. Tegenwoordig spreken we – ook in het buitenland – van tactical urbanism: het plegen van acupuncturele ingrepen.’

Diepgewortelde autologica
Harms ging verder langs de lessen uit Smart Cycling Futures. ‘De bestaande fietser als uitgangspunt nemen, is in Nederland goed, maar in het buitenland zijn dat er te weinig. De fietsers daar zijn vaak de traditionele ‘white middelaged men in lycra’, mannen op racefietsen. Daar moet de overgang van sport naar transport gemaakt worden. Die eigen logica van de fietser volgen, is inderdaad belangrijk. Maar het autodenken zit nog diep. Denk alleen al aan de term ‘fietssnelweg’. In Nederland wordt gelukkig al wel heel integraal naar het vervoerssysteem gekeken. Hier werken steden aan een andere accommodatie van de auto en de fiets-trein-combi is een succes. Al die mooie nieuwe grote fietsenstallingen werken daarbij als rode loper om de stad in te gaan.’ Tot slot beaamde ook Harms dat ‘slimme steden’ niet altijd zo slim met bijvoorbeeld de fiets omgaan. ‘Ik spreek nu liever over de 15-minuten-stad als alternatief.’

Fietsen is Zen
Ruud van Leeuwen, wethouder verkeer in Dalfsen en trekker van de Fietsstrategie van West-Overijssel kwam daarna het podium op om het eerste exemplaar van het boek ‘Capita Selecta Smart Cycling Futures’ in ontvangst te nemen. ‘Als geboren en getogen Utrechtenaar weet ik nog hoe belangrijk de fiets vroeger was. De mooie, zwarte Gazelles van mijn ouders waren goed verzekerd en werden na gebruik keurig weggezet in de fietsenstalling. Er waren toen nog geen kinderfietsen met zijwieltjes. Je moest het meteen op een grote fiets leren! Met vallen en opstaan, dus. Wisselfietsen, waar in Amsterdam mee geëxperimenteerd is, waren er vroeger trouwens al in de vorm van het Witte Fietsenplan. Deelfietsen voor studenten in Utrecht? Ach, die viste je in mijn studietijd gewoon uit de Oude Gracht! Maar zonder gekheid zou ik nog een vijfde les willen toevoegen: Fietsen is Zen! Hoe heerlijk en gezond is het om van en naar het werk te fietsen en alles los te laten. Ik feliciteer jullie als onderzoekers met deze mooie resultaten en hoop dat het fietsonderzoek verder doorgang vindt.’

Cirkel van gedragsverandering
Dagmar van der Schaaf van adviesbureau XTNT lichtte vervolgens de resultaten van het living lab rond de snelfietsroute tussen Dalfsen en Zwolle toe (PDF). ‘Het punt was dat je wel een heel aantrekkelijke route kunt aanleggen, maar dat er nog wel iets voor nodig is om ervoor te zorgen dat mensen die ook daadwerkelijk gaan gebruiken. Door corona werden we beperkt in onze lab-aanpak, maar we hebben wel een goede handreiking kunnen schrijven over fietsstimulering. Als je het gedrag van mensen wilt beïnvloeden, kun je dat doen door de cirkel van gedragsverandering te volgen. Ten eerste moeten mensen openstaan voor verandering. Dat is bijvoorbeeld zo op het moment dat er iets groots in hun leven verandert, zoals bij een verhuizing. Ten tweede moeten mensen kennis hebben: ze moeten weten waar de routes liggen, waar de stallingen staan enzovoort. Vervolgens moeten ze ook willen veranderen. Belangrijk daarin is wat hun sociale omgeving doet en of ze eigen motieven hebben, zoals iets doen voor het klimaat of afvallen. De volgende stap in de cirkel is ‘kunnen’: heb je wel een fiets en ben je bijvoorbeeld voldoende gezond om te kunnen fietsen? De voorlaatste stap is: het doen. En de laatste: het volhouden!’ Fietsstimulering is dan ook niet alleen iets op het bordje van de verkeerskundigen, vertelde Van der Schaaf. ‘Je hebt er samenwerking tussen veel verschillende sectoren en partijen – bijvoorbeeld ook werkgevers – voor nodig. We hebben creatieve workshops met al deze partijen gehad, die veel hebben opgeleverd.’ De handreiking is op te vragen bij d.vandeschraaf@xtnt.nl.

Fietsen geeft vrijheid
Esther van Dijk, beweeg- en leefstijlcoach bij Travers Welzijn, en ‘kwartiermaker’ Arjan Broer van Heel Breed vertelden vervolgens over het andere Zwolse living: Fietsen geeft vrijheid (PDF). Van Dijk: ‘We organiseren fietslessen voor bewoners uit Zwolle Noord die niet van nature leren fietsen. Het zijn vaak vrouwen, maar ook kinderen en heel af en toe mannen. Vrouwen zijn over het algemeen iets angstiger op de fiets en hebben de coaching wat harder nodig dan mannen. We werken samen met de Tour de Force, de ANWB, de gemeente Zwolle, DOCK24 voorde levering van fietsen, hogeschool Windesheim en de GGD. Naast onze eigen medewerkers hebben we ook vrijwilligers, stagiaires en oud-deelnemers als fietscoach. Bij DOCK24 werken mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt die oude fietsen opknappen en gratis ter beschikking stellen van de deelnemers. Doel is om mensen te leren fietsen, zodat ze zelfstandig kunnen deelnemen aan het verkeer en daardoor beter kunnen participeren in de samenleving. Het geeft hen ook een financieel voordeel, doordat ze geen auto of OV nodig hebben.’

Uniek in laagdrempeligheid
Arjan Broer: ‘De deelnemers ervaren daadwerkelijk dat ze vrijer zijn: gezonder, fitter, zelfstandiger. Ze hebben een groter sociaal netwerk. Het experiment was zo succesvol dat het al een keer verlengd is en – na enig onderzoek door mij als kwartiermaker – nu ook naar andere vergelijkbare wijken wordt uitgebreid. De fietslessen zijn tevens onderdeel geworden van het het Actieplan Zwolle Wereldfietsstad.’ Iemand in de zaal vroeg wat deze specifieke fietslessen nu zo uniek maakt. Broer: ‘De laagdrempeligheid. Je hoeft je niet aan te melden en lastige formulieren in te vullen. Het is ook niet erg als je er een keertje niet bent. Je kunt gewoon aan komen lopen bij de plek waar we de lessen geven. Drink eerst een kopje koffie mee en wie weet krijg je vanzelf zin om mee te doen. En het is natuurlijk ook gratis. Grappig om te zien is trouwens hoe trots iedereen is als het fietsen ook daadwerkelijk lukt! De echtgenoten van de deelneemsters komen bijvoorbeeld foto’s maken en hun vrouwen aanmoedigen.’ Van Dijk: ‘We zien dat de vrouwen ook na de lessen het fietsen lang volhouden. Vaak hebben ze ook gewoon geen andere keus.’

Betrek ook het sociale domein
De middag eindigde met een paneldiscussie, waarbij de zaal actief mee deed. Een vraag was hoe de resultaten van Smart Cycling Futures nu worden meegenomen in het dagelijkse beleid. Syb Tjepkema is adviseur Mobiliteit bij de gemeente Zwolle en stond mede aan de wieg van het onderzoeksproject. ‘We hebben als doelstelling dat er 20% meer gefietst moet gaan worden in Zwolle. Wat we in het onderzoek geleerd hebben over fietsstimulering gaat zeker bijdragen.’ Ook Else Tutert, thematrekker Fiets bij de provincie Overijssel, gaf aan de resultaten nuttig te vinden voor het beleid. ‘Als provincie hebben we verplicht gesteld dat bij elk gemeentelijk infraproject dat we meefinancieren ook aan een vorm fietsstimulering moet worden gedaan. Dit moet door de verkeerskundigen nog wel verder geïnternaliseerd worden. En andere sectoren en bijvoorbeeld welzijnsorganisaties moeten daar ook meer bij betrokken raken.’ Iemand uit de zaal benadrukte dat ook de WMO-wereld niet moet worden vergeten. Tjepkema: ‘Het is nog niet zo makkelijk om de relatie met participatie en et sociale domein te leggen. We zijn ermee bezig; gezondheid is het grote verbindende paradigma.’ Tutert: ‘Ik zie een relatie met energietransitie in kwetsbare wijken. Daarvan is de urgentie best groot, maar die missen we nog een beetje bij het fietsen. Hoe krijgen we dat gevoel van urgentie ook daarvoor?’

Toekomstig beleid en onderzoek
Arnold Helfrich is adviseur bij &morgen en hij werkt met werkgevers om fietsen te stimuleren. ‘Sinds corona willen mensen wat meer bewegen in hun eigen omgeving. Dat geeft een goed aangrijpingspunt om mensen ook meer van en naar het werk te laten fietsen. Immers, 50% woont op 5 km of dichterbij. Er komen ook meer e-bikes bij terwijl het OV wat meer is verlaten. Nu moeten we de mensen die in de auto zijn gestapt weer op de fiets krijgen.’ Misschien is het dan ook goed om het fietsen op bedrijventerreinen veiliger en aantrekkelijker te maken, opperde iemand uit de zaal. Helfrich: ‘Daar moeten we zeker aan blijven werken. We willen werkgevers meer medeverantwoordelijk maken voor de fietsinfra.’
Middagvoorzitter Marcus Popkema vroeg tot slot naar welk vervolgonderzoek er nu nodig is voor de komende tijd. Lucas Harms, directeur van de Dutch Cycling Embassy: ‘Twee concepten staan wat mij betreft bovenaan: integraler denken – ‘van ingenieur tot welzijnswerker’ – en inclusiviteit. Ook zou ik willen weten hoe we nog effectiever kunnen zijn in het vertalen van de Nederlandse fietssuccesen naar het buitenland. Moeten we naast best practices ook worst practices laten zien? Misschien moeten we ook aangeven wat buitenlandse steden vooral niet moeten doen om het fietsen te bevorderen?’
Tjepkema: ‘In toekomstig beleid en onderzoek zou ik graag het concept nabijheid centraal willen stellen. De fiets biedt daartoe de sleutel.’ Tutert vulde aan: ‘En graag nog meer onderzoek naar gedragsaspecten!’ Iemand in de zaal vroeg aandacht voor het platteland. Is de trend niet dat daar steeds minder gefietst wordt? Tutert: ‘De provincie heeft daar een studie naar gedaan. Daar ligt potentie, zeker met de e-bike. Bewoners nemen zelf ook initiatieven; misschien komt er wel een living lab in de kleine kernen.’

En daarmee ging het gezelschap de borrel in.

Alle gehouden presentaties nog even op een rijtje: